Onderzoeksplan Sigrid Sterckx (2006-2009)

Ethische Aspecten van de Commercialisering van Academisch Onderzoek

It may be difficult for some to understand how turning [public] research funds into discoveries that are privately controlled, how classifying scientific results of therapeutic significance as trade secrets, and how a publicly funded research enterprise in which conflicts of interest are endemic can serve the public interest. (Krimsky 1999: 36-37)

Inleiding: verschillende aspecten van de commercialiseringstrend

Heel wat universiteiten ondernemen commerciële activiteiten. Hoewel dit een relatief recent fenomeen is in het licht van de geschiedenis van universiteiten (Monotti & Ricketson 2003; McSherry 2001), is het niet per se een slechte zaak. Een van de manieren om het dienstverleningsaspect van de universitaire zending in praktijk te brengen kan erin bestaan te bewerkstelligen dat de vruchten van academisch onderzoek het publiek bereiken, bijvoorbeeld onder de vorm van producten en jobs. Echter, de commercialisering van academisch onderzoek komt steeds meer voor, mede als gevolg van het aanmoedigend beleid van diverse overheden. Universiteiten beschouwen commercialisering in toenemende mate als een manier om fondsen te verwerven en --verwijzend naar het discours over de ‘kennismaatschappij’ (May 2002; David & Foray 2002)-- als een bijkomende rechtvaardiging voor hun bestaan.

De commercialiseringstrend omvat verschillende aspecten: (1e) resultaten van academisch onderzoek worden steeds vaker tot voorwerp gemaakt van diverse intellectuele eigendomsrechten (IER) waaronder octrooien; (2e) steeds meer ‘Material Transfer Agreements’ (MTAs) worden afgesloten -- dit zijn contracten die het gebruik van materialen en gegevens beperken; ze stipuleren vaak verregaande voorwaarden en slaan niet enkel op het ‘materiaal’ in kwestie maar ook op gegevens of vindingen die voortvloeien uit gebruik van het materiaal (Streitz & Bennett 2003; Pool 2000); (3e) de financiering van academisch onderzoek door de industrie neemt toe; en (4e) steeds meer ‘spin-out’ bedrijven worden opgericht. (Blumenthal et al. 1996; Monotti & Ricketson 2003) Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot een aantal bezorgdheden, die voornamelijk te maken hebben met de belemmering van het onderzoek, het beïnvloeden van de richting van het onderzoek en de toename van belangenconflicten die de integriteit van onderzoek(ers) bedreigen.

Intellectuele eigendomsrechten, MTA’s, de ‘tragedy of the anticommons’ en de heroriëntering van onderzoek

Hoewel octrooien een aanmoediging bieden om risicovol onderzoek en ontwikkeling (O&O) te ondernemen (Sterckx 2005), lijkt het er steeds meer op dat academisch onderzoek wordt belemmerd door octrooien. Vanuit ethisch perspectief rijst de vraag hoe universiteiten onderzoeksresultaten kunnen privatiseren en commercialiseren en tegelijkertijd de openheid en integriteit van academisch onderzoek vrijwaren. In het licht van het dienstverleningsaspect van de universitaire missie lijken er geen a priori redenen te zijn waarom universiteiten geen enkele betrokkenheid zouden mogen hebben bij commercialisering en IER. De vraag stelt zich echter op welke manier het beleid van universiteiten op het vlak van commercialisering de fundamentele verschillen moet weerspiegelen tussen universiteiten enerzijds en organisaties met winstoogmerk anderzijds.

De notie van ‘openheid’ van onderzoeksresultaten wordt traditioneel beschouwd als een van de grondslagen van de structuur van de wetenschap. (Merton 1973) Wetenschap wordt weliswaar zelden gekenmerkt door totale openheid, maar commerciële overwegingen kunnen ertoe leiden dat onderzoeksresultaten gedurende langere tijd geheim worden gehouden. Samenwerkingsovereenkomsten met commerciële organisaties stipuleren immers doorgaans beperkingen in verband met de publicatie van resultaten, tenminste tot de commerciële partner de resultaten heeft geëvalueerd. Publicatie kan de ‘nieuwheid’ van de vinding namelijk teniet doen, en dan wordt octrooiering onmogelijk.

De morele vraag stelt zich in welke mate privatisering en geheimhouding aanvaardbaar zijn in een universitaire omgeving. De huidige ontwikkelingen hebben bovendien potentieel verregaande gevolgen voor de voortgang van het onderzoek zelf. Een proliferatie van IER op resultaten van ‘stroomopwaarts’ onderzoek --in een vroeg stadium van de onderzoekspijplijn-- kan namelijk verstikkend werken ten aanzien van verdere stadia. Immers, hoe meer IER, hoe groter het aantal mensen wier akkoord moet worden bekomen opdat een onderzoeksproject zou kunnen worden voortgezet en dus hoe groter het risico dat onderhandelingen zullen mislukken of zeer veel tijd en moeite kosten. Net zoals een situatie met te weinig eigendomsrechten aanleiding kan geven tot overmatig gebruik van middelen in een ‘tragedy of the commons’ (Hardin 1968), kunnen te veel eigendomsrechten een ondermaats gebruik van middelen veroorzaken in een ‘tragedy of the anticommons’. (Ostrom 1990; Heller 1998; Heller & Eisenberg 1998; Rai 1999; Eisenberg 2001) Recent empirisch onderzoek toont aan dat dit probleem zeer reëel is. (Thursby et al. 2003) Uit een grootschalige bevraging verricht in 2005 door de American Association for the Advancement of Science blijkt dat 35% van de universitaire onderzoekers in de biowetenschappen rapporteert dat hun onderzoek op nefaste wijze wordt beïnvloed door IER en MTAs. Van de academici die problemen ervaren, verklaart 58% dat hun onderzoek vertraagde; 50% dat ze hun onderzoek moesten heroriënteren en 28% dat ze hun onderzoeksproject moesten laten varen. (Hansen et al. 2005: 4, 11)

De huidige ontwikkelingen op het vlak van IER en commercialisering kunnen tevens de richting van universitair onderzoek beïnvloeden. Zowel onderzoeksfinanciering als onderzoeksinspanningen kunnen erdoor worden geheroriënteerd van niet-commercialiseerbare naar commercialiseerbare domeinen – dit kan zowel een heroriëntering van fundamenteel naar toegepast onderzoek als van onderzoek in de humane wetenschappen naar de ‘positieve’ wetenschappen impliceren. Er kan tevens een vermindering door ontstaan van academisch onderzoek in domeinen die door de private sector vrijwel volkomen worden genegeerd. Onderzoek naar tropische ziekten --een domein dat zeer zwaar wordt verwaarloosd (Sterckx 2004)-- vormt een treffend voorbeeld in dit verband. Talloze onderzoeksnoden blijven bestaan in domeinen die weinig gelegenheid bieden tot commercialisering, maar die wel een fundamentele impact hebben op de levens van vele honderden miljoenen mensen. Universiteiten hebben een zeer belangrijke rol te spelen op dit vlak en dienen zich bewust te zijn van de globale implicaties van hun beleid, zowel wat betreft de prioritering van onderzoeksdomeinen als de beslissingen met betrekking tot octrooiering en licentiëring.

Onderzoeksfinanciering door de industrie, ‘spin-out’ bedrijven en belangenconflicten

De sterke toename van industriële financiering van academisch onderzoek en de oprichting van zogenaamde ‘spin-out’ bedrijven kunnen negatieve effecten hebben op de ‘onderzoekscultuur’ in universiteiten. Aan Amerikaanse universiteiten bestond tot eind de jaren 1970 een sterke terughoudendheid ten aanzien van directe betrokkenheid bij octrooiering en commercialisering. In 1980 werd de Bayh-Dole Act aanvaard, een wet die tot doel had universiteiten aan te moedigen om resultaten van onderzoek, gefinancierd op federaal niveau, te octrooieren en om technologie over te dragen naar de private sector. Deze wet heeft bijgedragen tot een enorme toename van het aantal octrooien bekomen door universiteiten (Mowery et al. 2004), en de oprichting van talloze ‘spin-out’ bedrijven. Sinds een tiental jaar doen zich gelijkaardige ontwikkelingen voor in de meeste Europese landen, inclusief België. Dit kan aanleiding geven tot belangenconflicten (Van Overwalle 2002; Van Overwalle 2005b). Een academische onderzoeker die de gelegenheid heeft om aanzienlijke voordelen te bekomen via commercialisering kan in de verleiding komen om resultaten te rapporteren op een selectieve of bedrieglijke wijze; resultaten geheim te houden; en fondsen te ‘versluizen’ van de universiteit naar zijn/haar commerciële partner. Ook op het institutionele niveau kunnen belangenconflicten ontstaan, bijvoorbeeld in verband met het bezit van aandelen in ‘spin-out’ bedrijven.

Het feit dat universiteiten zich in toenemende mate als bedrijven gedragen kan hen bepaalde voordelen opleveren, maar het houdt ook ernstige risico’s in. Zo besliste de US Court of Appeals for the Federal Circuit in de zaak Madey v. Duke University (2002) dat de zogenaamde ‘onderzoeksvrijstelling’ van octrooi-inbreuk zeer eng moet worden geïnterpreteerd. Dit is alarmerend, daar het dwingen van academische onderzoekers om licenties te bekomen kan leiden tot de belemmering en zelfs stopzetting van onderzoeksprojecten. De rechtbank argumenteerde dat universiteiten zoals bedrijven zijn geworden: ze concurreren met elkaar, ze maken winst en ze gebruiken hun octrooien tegen elkaar. In het licht van de hoger geschetste ontwikkelingen wordt de vraag inderdaad pertinent in welke mate universiteiten zich op hun academisch karakter kunnen blijven beroepen om bepaalde wettelijke ‘voorkeursbehandelingen’ te krijgen. De vraag rijst eveneens of de commercialiseringstrend nog meer van dit soort contra-productieve gevolgen zal teweegbrengen.

Doelstellingen en methoden van het onderzoeksproject

Dit onderzoeksproject beoogt de volgende vragen te onderzoeken:

1) Hoe moeten de huidige ontwikkelingen worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke rol van de universiteit? In het kader van deze kwestie zullen we ons o.m. baseren op de ideeën van Immanuel Kant, uiteengezet in zijn Streit der Fakultäten (1797/1964), die een diepgaande invloed hebben gehad op de totstandkoming van de moderne universiteit. Een fundamentele premisse van dit concept van de universiteit was dat de universiteit ‘zinloos’ moest zijn, i.e. haar bestaansreden had niets te maken met de creatie van zaken met praktisch nut (Derrida 1983). Dit vooronderstelt de positionering van de universiteit als een autonome entiteit. De autonomie van deze Kantiaanse universiteit is gebaseerd op de rede, die geen ‘marktwaarde’ heeft. Hierdoor wordt de universiteit de plaats waar ‘basisonderzoek’ wordt verricht, afgeschermd van de werking van machtmechanismen (Derrida 1983), en dit laat de universiteit toe haar plaats in te nemen als centrale instelling van het publiek domein (Schmidt-Biggeman 1996). De kwestie op welke manieren deze rol van de universiteit wordt ondergraven door de hoger geschetste ontwikkelingen, vormt de ‘kapstok’ waaraan de andere vraagstellingen van ons onderzoek worden opgehangen.

2) In welke mate ondermijnen de hoger geschetste ontwikkelingen fundamentele academische principes zoals academische vrijheid en integriteit en openheid van onderzoek? Welke van de ondermijnende effecten zijn algemeen van aard en welke zijn eerder verbonden met welbepaalde onderzoeksdomeinen? Hoe kunnen universiteiten --bij voorkeur gezamenlijke-- normen bepalen en maatregelen uitwerken om deze fundamentele principes veilig te stellen?; Kan een werkbaar model worden ontwikkeld dat commercialisering onder voorwaarden toelaat zonder de missie van de universiteit en het publiek belang in gevaar te brengen?

3) Welke verantwoordelijkheid hebben overheden? Dienen zij door te gaan met het aanmoedigen van de ‘privatiseringssfeer’ in universiteiten? Zou het wenselijk zijn dat zij maatregelen nemen opdat universiteiten vrij zouden zijn om onderzoek te doen zonder bevreesd te moeten zijn voor inbreuken op intellectuele eigendomsrechten?

De uitvoering van dit onderzoeksproject vereist diverse bronnen. Voor wat betreft de studie van wetgeving zal de aandacht gericht zijn op het EU niveau alsook op België/Vlaanderen en de VS. De literatuurstudie zal gebaseerd zijn op bronnen in de volgende domeinen: theoretische ethiek (waardenconflicten); toegepaste ethiek (in het bijzonder onderzoeksethiek, ethiek van wetenschap en technologie, en biomedische ethiek); intellectueel eigendomsrecht, inclusief rechtshistorische en rechtssociologische aspecten; economie (in het bijzonder de domeinen economie van innovatie en economie van internationaal O&O); en geschiedenis (in het bijzonder de geschiedenis van de aard en maatschappelijke rol van universiteiten).

Literatuur

Andrews, L. & Paradise, J. (2005), “Patents: The need for bioethics scrutiny and legal change”, Yale Journal of Health Policy, Law and Ethics 5, 403.

Blumenthal, D. et al. (1996), “Relationships between academic institutions and industry in the life sciences – An industry survey”, New England Journal of Medicine 334, 368.

Blumenthal, D. et al. (1997), “Withholding research results in academic life science: evidence from a national survey of faculty”, Journal of the American Medical Association 277(15), 1224.

David, P. & Foray, D. (2002), “An introduction to the economy of the knowledge society”, International Social Science Journal (UNESCO) 171, 9.

Derrida, J. (1983), “The principle of reason: The university in the eyes of its pupils”, Diacritics Fall, 3.

Dreyfuss, R., Zimmerman, D. & First, H. (2001), Expanding the Boundaries of Intellectual Property – Innovation Policy for the Knowledge Society.Oxford: Oxford University Press.

Eisenberg, R. (2001), “Bargaining over the transfer of proprietary research tools: Is this market failing or emerging?”, in Dreyfuss, R., Zimmerman, D. & First, H., Expanding the Boundaries of Intellectual Property – Innovation Policy for the Knowledge Society. Oxford: Oxford University Press, 223-49.

Hansen, S. et al. (2005), Intellectual property in the AAAS scientific community: A descriptive analysis of the results of a pilot survey on the effects of patenting on science. (AAAS-SIPPI Project ‘Science & Intellectual Property in the Public Interest) Washington, DC: AAAS.

Hardin, G. (1968), “The tragedy of the commons”, Science 162, 1243.

Heller, M. (1998), “The tragedy of the anticommons: Property in the transition from Marx to markets”, Harvard Law Review 111, 621.

Heller, M. & Eisenberg, R. (1998), “Can patents deter innovation? The anticommons in biomedical research”, Science 280, 698.

Kant, I. (1794), Streit der Fakultäten, (Hrsg. W. Weischedel) (Suhrkamp Werkausgabe XI), Frankfurt a.M., 1964.

Krimsky, S. (1999), “The profit of scientific discovery and its normative implications”, Chicago Kent Law Review 75, 15.

Latour, B. (1987), Science in Action. Milton Keynes: Open University Press.

May, C. (2002), The information society: A sceptical view. Cambridge: Polity Press.

May, C. (2005), “The academy’s new electronic order? Open source journals and publishing political science”, European Political Science 4, 14.

McSherry, C. (2001), Who owns academic work? Battling for control of intellectual property. Cambridge: Harvard University Press.

Merton, R. (1973), The Sociology of Science: Theoretical and empirical investigations.Chicago: University of Chicago Press.

Monotti, A. & Ricketson, S. (2003), Universities and intellectual property: Ownership and exploitation. Oxford: Oxford University Press.

Mowery, D. et al. (2001), “The growth of patenting and licensing by US universities: An assessment of the effects of the Bayh-Dole Act of 1980”, Research Policy 30, 99.

Mowery, D. et al. (2004), Ivory tower and industrial innovation. Stanford: Stanford Business Books.

Ostrom, Elinor (1990), Governing the commons: The evolution of institutions for collective action. Cambridge: Cambridge University Press.

Paradise, J., Andrews, L. & Holbrook, T. (2005), “Patents on human genes: An analysis of scope and claims”, Science 307, 1566.

Pattyn, B. & Van Overwalle, G. (eds) (2006), Tussen kennis en agora. Over het statuut van universitaire kennis, Leuven: Peeters. (in press)

Pool, R. (2000), “Material Transfer Agreements”, in Finding the path: Issues of access to research resources. Washington, DC: National Academy Press.

Radder, H. (2000), “The Governance of Science”, Science, Technology and Human Values 25, 520.

Radder, H. (2003), Wetenschap als koopwaar? Een filosofische kritiek. (Amsterdam: Universitaire Pers).

Rai, A. (1999), “Regulating scientific research: Intellectual property rights and the norms of science”, Northwestern University Law Review 94, 77.

Royal Society (2003), Keeping science open: the effects of intellectual property policy. London: Royal Society.

Schmidt-Biggeman, W. (1996), “New structures of knowledge”, in De Ridder-Symoens, H. (ed.), A history of the university in Europe, Vol. 2: Universities in modern Europe. Cambridge: Cambridge University Press.

Scotchmer, S. (1991), “Standing on the shoulders of giants: Cumulative research and the patent law”, Journal of Economic Perspectives 5, 29.

Sterckx, S. (2004), “Patents and access to essential drugs in developing countries: An ethical analysis”, Developing World Bioethics 4(1), 58.

Sterckx, S. (2005), “The ethics of patenting ¾ Uneasy justifications”, in Drahos, Peter (ed.), Death of Patents. Oxford: Law Text Publishers, 175-211.

Streitz, W. & Bennett, A. (2003), “Material Transfer Agreements: A university perspective”, Plant Physiology 133, 10.

Thursby, M. et al. (2003), “The Disclosure and Licensing of University Inventions”, International Journal of Industrial Organization 21, 1271.

Van Overwalle, G. (2002), “Academische kennis, octrooirecht en ethiek: een netelige verkenning”, Ethische Perspectieven maart & juni, 8.

Van Overwalle, G. (2005a), “Reconciling patent policies and university mission”, lecture held at the 4th Ethical Forum of the University Foundation, Brussels, 22 November.

Van Overwalle, G. (2005b), “Ethical implications of patenting academic research’, lecture held at the Annual Conference of the Societas Ethica – European Society for Research in Ethics, ‘Research and Responsibility’, Salzburg, 24-28 August 2005, forthcoming in in Societas Ethica – Annual Report (ISSN 1814-8204).

Van Overwalle, G. (2006), “Privatisering van academische kennis: Mixing oil and water?”, in Pattyn, B. & Van Overwalle, G. (eds), Tussen kennis en agora. Over het statuut van universitaire kennis. Leuven: Peeters (in press)

Weil, V. & Snapper, J. (eds) (1989), Owning Scientific and Technical Information: Value and Ethical Aspects. New Brunswick: Rutgers University Press.